zondag 16 maart 2014

'Handen'

Elkaar de hand geven. Of men nu veel of weinig mensen de handen schudt, ligt aan het beroep dat wordt uitgeoefend. De meeste handwerklieden zullen tijdens de arbeid nauwelijks iemand de hand schudden. Bij 'kantoormensen' is het anders. Naast het bedienen van een toetsenbord, is het schudden van handen misschien wel de belangrijkste bezigheid.
Men schudt iemand de hand als men elkaar voor het eerst of na kortere of langere tijd weer ontmoet. Of, als automatisme, bij de aanvang van een vergadering of bespreking. Veelal is het een beleefdheidsgebaar waar niet bij wordt nagedacht. In de kerken worden ook handen geschud. Bij sommige kerken is men zo blij dat mensen de dienst bezoeken dat bij binnenkomst iedere kerkganger een hand krijgt. In andere kerken daarentegen is men zo blij dat men weer vertrekt, dat dit onderstreept wordt met een handdruk. Bij een groot deel van de kerken in deze regio krijgt uitsluitend de predikant een hand in de kerk. Tweemaal zelfs, aan het begin en aan het eind van de dienst. Dit gebaar heeft wel een andere betekenis dan een beleefdheidsvorm.
Handen schudden. Het is voor mij een wat ongemakkelijke bezigheid en dat komt vanwege mijn afkomst. Geboren en getogen op de kop van het eiland is mij altijd ingeprent dat 'handen' (in dialect een werkwoord) hoort bij mensen die van 'Flakkee' komen en bij overkanters. Deze vooronderstelling kan problemen geven. Zo woonde ik een aantal jaren geleden een kerkdienst bij in de toenmalige Samaritaan. Voor rolstoelbegeleiders waren er gereserveerde plaatsen. De koster zag dat ik niet wist waar ik met het kaartje 'gereserveerd' moest blijven. Hij stak zijn hand uit om het kaartje aan te pakken. Ik realiseerde me dat ik niet in het westen van het eiland was en drukte de koster de uitgestoken hand. "Ik wil je wel een hand geven, maar geef mij ook dat kaartje maar", was zijn reactie. Dit voorbeeld kan aangevuld worden. In de praktijk is het voor mij niet altijd duidelijk wanneer ik een hand 'krijg' of moet 'geven'. Het blijft tobben. Misschien de 'high five' maar proberen...

Deze column stond vrijdag 14 maart 2014 in Eilanden-Nieuws

Wij?

Vorige week kwam er iemand binnen met de constatering dat 'we er weer een medaille erbij hebben'. We…? Ik was me van geen kwaad bewust.
Mijn medaillevoorraad zou overigens wel wat aanvulling kunnen gebruiken. Er moeten er ergens twee liggen: één als bewijs van een met succes gelopen wandelmars, midden in de jaren zestig van de vorige eeuw. De tijd dat men nog marcheerde. Dan nog één als bewijs dat ik als late twintiger een zwemmeerdaagse met succes afrondde. De laatste tijd zijn mijn prestaties op geen gebied van dien aard dat ik er een medaille, van welk edelmetaal dan ook voor kreeg uitgereikt.
Nu schijnen de jongens en meisjes op de Olympische Winterspelen veel meer medailles te hebben verzameld dan ik ooit zal vergaren en ook veel van de lezers zullen dit aantal nooit in hun prijzenkast kunnen krijgen. Vandaar misschien dat 'wij-gevoel'? Dat zou kunnen. Bij de koning en koningin speelde dit zeker niet mee. Zij hebben misschien wel meer medailles - al of niet verdiend - dan 'wij' hebben bemachtigd in verschillende Olympische krachtmetingen. Hun uitingen van enthousiasme over wat 'wij' presteerden werd terecht niet door iedereen in dank afgenomen. Zal wel een beginnersfoutje van het koningspaar zijn, zullen we maar hopen.
Het wij-gevoel. Ofschoon ik nauwelijks gehinderd wordt door enige kennis of interesse in sportieve zaken is me deze weken wel wat opgevallen. Hoe dichter men in de buurt komt van het eventueel winnen van medailles, neemt het wij-gevoel af. "Zilver of brons is voor 'mij' niet genoeg. 'Ik' wil goud". Noorse schaatsers, wat verder van medailles vandaan, hebben nog een beetje wij-gevoel: "Als 'zij' meedoen, doen 'wij' niet mee". Het wij-gevoel is nog wel eens aan wat voorwaarden gebonden. Zouden we – buiten de sport om – niet eens wat meer aan ons wij-gevoel moeten werken. In ons land, onze regio, ons eiland? Wij hebben genoeg om trots op te zijn. Laat dit ook eens aan de anderen weten. We hebben aan de muur in de redactiekamer in ieder geval ruimte voor medailles gemaakt. Wij zijn er klaar voor…

Deze blog stond eerder in Eilanden-Nieuws van 21 februari 2014

Schoolreisje

Hoewel het nog geen mei is, moest ik vorige week steeds maar denken aan de 'schoolreisjes' van vroeger. Dit kwam doordat we wat spullen bij elkaar moesten zoeken, want we hadden het voorrecht deel te mogen nemen aan de jaarlijkse Eilanden-Nieuwslezersreis. Als deze krant verschijnt en als alles volgens plan is verlopen, arriveren we in de avonduren weer op eilandelijke bodem. Sinds mijn schooljaren is er van een groepsbusreis nauwelijks meer sprake geweest. De gedachten gaan terug naar de uitstapjes van de lagere school. In de eerste klas een dagje naar het Ouddorpse strand. Een aantal klassen hoger, een keer 'dauwtrappen' in de vroege uren van Hemelvaartsdag. In de hoogste klassen begon het echte werk: een meerdaagse schoolreis naar Lunteren in de Poelakker. Voor 'de meesters' en 'juffrouw' een routineklus, omdat generaties Goereese scholieren daar hun eerste schoolreiservaring hebben opgedaan. Voor ons als schoolkinderen - met nauwelijks reiservaring - was het echter een hele onderneming. Uitgezwaaid door heel Goedereede verlieten we via Bekaf het stadje om er enkele dagen dagen later ontzettend moe en vol van indrukken weer te worden onthaald. Het was voor mij niet te begrijpen dat in Goedereede alles 'gewoon' hetzelfde was gebleven. Wij hadden in de tussentijd in een totaal andere wereld vertoefd. Zo was daar de busreis waarin een oneindig lijkende hoeveelheid snoep werd weggewerkt, tegelijk met de meegenomen broodjes en beschuitbollen die we normaal nooit kregen. Dan waren er de bossen, de gezamenlijke maaltijden waarin we - de toen nog onbekende - Hamburgers aten. Dan de nachten in de grote slaapzalen, regelmatig bezocht door boze en quasi boze onderwijzers. Verder de indrukwekkende treinreis van enkele minuten naar Ede waar gewinkeld werd en we voor het eerst donkergekleurde mensen zagen: Zuid-Molukkers. Later nog één keer een tweedaagse schoolreis meegemaakt in de MAVO-tijd naar de Ardennen. Weet ik niet veel meer van. Wel dat ik juist die éne nacht 'apart' door moest brengen, vanwege wangedrag. Nu maar hopen dat het deze week in het Sauerland beter is afgelopen…

Deze column stond vrijdag 31 januari in Eilanden-Nieuws

Het wensen voorbij


Het overgrote deel van de nieuwjaarsrecepties hebben we zowel letterlijk als figuurlijk achter de kiezen. Dit zijn in mijn ogen altijd bijzondere evenementen geweest, die ik zoveel mogelijk probeer te vermijden of met gepaste tegenzin bezoek. Doorgaans verdwijnt deze aversie tijdens het gebeuren. Waar deze tegenzin vandaan komt? Dat weet ik niet zeker maar misschien wel van het 'nieuwjaarwensen' na de kerkdienst op Nieuwjaarsdag. In vroeger dagen had dit veelal iets weg van een condoleance. Met bedrukte gezichten - of was het de vermoeidheid? - wenste men elkaar veel zegen toe voor het nieuwe jaar. Later begreep ik pas dat het wisselen van een jaar voor veel mensen vanwege verliezen bijzonder emotioneel kon zijn.
Maar nu naar de huidige recepties: Eenmaal op zo'n receptie aangekomen verdwijnt doorgaans de antipathie. Even tevoren nog wat etiquettesites doorgekeken hoe ik het 'nieuwjaar wensen' het best vorm kan geven. Zoenen hoeft gelukkig alleen maar bij de naaste familieleden en die zijn op de gebruikelijk recepties maar sporadisch aanwezig. Maar dan: Je spreekt de standaardzinnetjes uit: Gelukkig nieuwjaar of bij – verondersteld – gelovige mensen een wat aarzelend 'gezegend nieuwjaar'. (Alsof 'ongelovigen' geen zegen nodig zouden hebben…) Verder doet het 'ook de beste wensen' altijd goed. Wat dat 'beste' dan zal zijn mag de ontvanger invullen.
Op grote nieuwjaarsrecepties is het wel goed opletten, want voor je het weet heb je iemand al drie keer 'de beste wensen' gegund. Maar er zijn meer struikelblokken. Je staat al een poosje met iemand te praten die jou heel goed kent, maar waarbij je niet op zijn of haar naam kan komen. Dat vraagt natuurlijk wel wat lenigheid om dit gesprek tot een goed einde te brengen. Een positief effect van dergelijke recepties is wel dat je weer eens je netwerk uitbreidt en vernieuwt. Al blijft het wel moeilijk om je los te maken van je vertrouwde groepje medebezoekers en naar een 'vreemde' te stappen. We zullen het oefenen: nog één receptie te gaan en het wensen is voorbij.

Deze column stond in Eilanden-Nieuws van vrijdag 10 januari 2014

Kerkdienst in de Rabobankzaal

In een week tijd woonde ik drie bijeenkomsten bij, die voor het oog nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Zo was daar een 'Krantendag' van de NNP, zeg maar de brancheorganisatie voor de lokale nieuwsmedia in Nederland. Elkaars kranten werden bekeken en bekritiseerd. Hierbij werd ook de 'inkopper' besproken dat een goede kop boven een artikel 'automatisch' meer lezers trekt. Zoals u ziet werkt het, want u bent aan dit stukje begonnen.
Dan was er een tweede bijeenkomst in het imposante hoofdkantoor van de Rabobank in Utrecht. Eén van de leden van de hoofddirectie hield voor een afvaardiging van de eilandelijke Rabobank een toespraak. Het hoofdonderwerp van die toespraak was - het kon natuurlijk niet anders - de (imago)schade van de bank als gevolg van onder meer het Liborschandaal. Nu rekende ik op een zich in alle bochten wringende manager, die tussen de regels door de schuld van de problemen op een ander mans bordje probeerde te leggen. Niets daarvan. Hij legde het op zijn eigen bordje . Ook ontweek hij geen kritische vragen vanuit het gezelschap. De man trok het boetekleed aan en ging figuurlijk diep door het stof. Bijna werd het een sacraal moment van berouw en schuldbelijdenis. Mits oprecht gedaan, waaraan ik nog niet twijfel, siert dit het directielid van de bank.
Ik moest aan deze ontmoeting denken tijdens een derde bijeenkomst. Een kerkdienst in de Rabobankzaal van Het Diekhuus. De grote zaal in Het Diekhuus heeft een tribune gekregen van de Rabobank. Uit dank noemde men de ruimte naar de bank. Naast een aantal veelal culturele bijeenkomsten, wordt er elke zondagochtend een kerkdienst gehouden in deze Rabobankzaal. Nu hebben kerken en banken in de afgelopen eeuwen wel bewezen, goed samen te kunnen gaan, mits de banken gebruikt werden om op te zitten. Maar deze combinatie was wel even slikken. Doorgaans komen gelovigen samen in gebouwen met welklinkende Bijbelse namen. Lange tijd was mijn opvatting dat de wereld van het 'harde en snelle geld' niet te combineren is met, zeg maar, de Bijbelse Bergrede. Een moeizame combinatie? Jazeker. Maar bepaalde ontwikkelingen lijken toch op een lichtpuntje. Tot voorbeeld voor kerk en wereld…?
Hebben we het Licht gezien…? De tijd zal het leren…

Deze column stond vrijdag 20 december 2013 in Eilanden-Nieuws

Zomerdrop

Geruime tijd staat er in het redactiekantoor een pot. Met enige regelmaat wordt deze, aan ouderwetse snoepwinkeltjes herinnerende, glazen fles, gevuld met verschillende soorten zoetwaren. Dit natuurlijk ter consumptie voor de vaste bezetters van de redactieruimte en voor de gaande en komende vrouw of man. Deze pot wordt, door degene die zich daartoe geroepen voelt, bijgevuld.
Eén van de collega's vroeg naar de voorkeur voor de soort snoep waarmee zij de pot op haar beurt zou moeten vullen.
"Zomerdrop", zo suggereerde ik.
Er kwam een verbaasde reactie. Laat nu niemand ooit van zomerdrop gehoord hebben… Dit kon ik niet geloven want zeker vroeger was 'zeumerdrop' een gangbare benaming voor deze frisse zoetigheid. Natuurlijk probeerde ik dat de medegebruikers van de pot duidelijk te maken, maar het lukte niet. Ten einde raad maar via Google het bestaan van 'zomerdrop' proberen te bewijzen. Nu blijkt ook deze internetzoekmachine het begrip zomerdrop niet te kennen. Wel werd ik voorgesteld om dan maar te zoeken naar 'zomerdorp'. Maar noch zomerdorpen, noch winterdorpen hebben mijn voorkeur.
Verder nog eens wat nagevraagd in mijn omgeving. Het zou natuurlijk kunnen dat het een benaming was die vooral in het westelijk deel van het eiland werd gebruikt. En daar ging ik maar van uit.
Het overgrote deel van de bewoners van deze regio kent geen zomerdrop, zo veronderstelde ik. Totdat een andere collega aangaf het woord wel te kennen en dat het vroeger ook in Middelharnis en Sommelsdijk bekend was. Het bleek dus geen verschil in dialect, maar meer een soort generatiekloof.
Ondanks de onbekendheid met het woord zijn de zomerdropjes zelf voor niemand vreemd. Bij een 'voordeeldrogist', waar we vanuit de redactiestoel ruim zicht op hebben, is men zeker niet onbekend met zomerdrop. Ze liggen er zelfs voor het opscheppen…
Inmiddels is de redactiesnoeppot weer gevuld met winegums. Een woord dat iedereen verstaat, al is het geen dialect en klinkt het on-Nederlands.

Deze column verscheen vrijdag 29 november 2013 in Eilanden-Nieuws

Anoniem

"Dat kun je niet maken", zo wees mijn collega me terecht. We hadden het over de mogelijkheid om op gezette tijden een column te gaan schrijven voor Eilanden-Nieuws. Een column schrijven zag ik na wat aandringen wel zitten. Ik had echter één voorwaarde: het moest wel onder een schuilnaam. Anoniem. Zoals u ziet heb ik na wat aarzeling dan toch besloten om deze column niet anoniem te schrijven. Zowel mijn naam als foto markeren dit stukje. Anoniem. Naamloos. De hang naar anonimiteit lijkt toe te nemen. Wat is hiervan de reden? Ik dacht zelf wel redenen te hebben om deze column anoniem te plaatsen: Betrokkenheid bij de redactie; het eventueel aangesproken worden op het geschrevene en verder schrijft het wel 'lekker' om je mening door weinig gehinderd te kunnen ventileren. In dit laatste sta ik niet alleen. Regelmatig belanden er in de redactiepostbus, zowel digitaal als op papier, brieven waarin de afzenders verzoeken om het schrijven te plaatsen. Maar hierbij vooral niet 'mijn naam te noemen want dan krijg ik problemen', is dan meestal de toevoeging. Doorgaans zijn deze 'ingezonden stukken' niet het plaatsen waard. Er wordt persoonlijk gram gehaald over bepaalde situaties of er worden insinuaties gedaan richting personen of instellingen die we liever niet op het papier van Eilanden-Nieuws zien verschijnen. Deze 'ingezondens' bewaren we op de redactie als curiositeit in een speciaal laatje of archiefmap. Een klein aantal van de als 'anoniem' aangeboden bijdragen door de lezers, zouden zeker het plaatsen in de krant echter wel waard zijn. Maar de schrijvers missen de moed om de naam er onder te plaatsen en dat is in sommige gevallen jammer, want wat wordt aangedragen is zeker de moeite waard. Ze hebben wel een mening, maar durven of willen er niet voor uit komen. Want ergens een mening over hebben is niet zonder risico. Met dit laatst genoemde groepje inzenders kan ik wel meevoelen. In mijn twitterprofiel niet voor niets staan, dat ik "voor het gemak opportunistisch ben". Nu maar afwachten wat de gevolgen zijn voor deze niet-anonieme columnist.

Deze column verscheen 8 november 2013 in Eilanden-Nieuws