zondag 26 oktober 2014

In de buurt van het 'zesje'

Een paar dagen geleden vierde ik mijn negenenvijftigste verjaardag en begon mijn zestigste levensjaar. Het in de buurt komen van het 'zesje' in je leeftijd leek mij vroeger iets verschrikkelijks. Maar het valt heel erg mee, is mijn ervaring. Mijn gevoelens over leeftijd, ouder worden en eindigheid zijn veranderd in de loop van de tijd, al naar gelang de levensfases. Dit komt omdat ieder stadium van een mensenleven iets eigens heeft. Zo zijn er de schooljaren, werk, gezin, enz… Alles keurig op een rij met mooie en minder mooie zaken die daar bij horen.
Bij mij lopen verschillende levensfases door elkaar. Mijn ervaringen zijn dan ook anders dan van de gemiddelde 55-plussers. Zo zit ik nu voor de tweede keer in de fase waarover mijn vrouwelijke collega columnschrijver regelmatig verslag doet. Want hoewel het niet bij mijn leeftijd past, hebben wij 24/7 een baby in huis. Kort na haar geboorte is ze bij ons gekomen en als 55-plussers zijn we druk in de weer met alles wat er bij een tweejarige (pleeg)baby past: luiers, consultatiebureaus, ziekenhuizen, doctoren, speelgoed en wat er al niet komt kijken bij een baby/peuter in huis. Enkele voorbeelden: deze kleine weet precies wanneer ze 'het' op het potje doet, of gewoon in de luier. Dit laatste dus als ik alleen thuis ben; Gewoonlijk zullen mensen van onze leeftijd niet meer achter kinderkleertjes aangaan of Marktplaats afspeuren voor (baby)spulletjes. Maar wij wel. Soms krijgen we vragende reacties en sommigen kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en vragen: "Nu moeten jullie me eerst eens vertellen hoe het zit?". Dit is dan bij dezen opgelost.
Lichamelijk zal het ons niet voor altijd jong houden, geestelijk ook niet. Maar van een psychische lenigheid is wel sprake. Tel daarbij op dat de oudste van de drie collega's met wie ik in één ruimte werk nog niet half zo oud is dan ik… Het resultaat is dat negenenvijftig levensjaren voor mijn gevoel nauwelijks tellen. Wel een klein beetje, maar lang niet zo erg dan ik vroeger altijd dacht.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 10 oktober 2014

In de supermarkt

Het inslaan van levensmiddelen brengt je onvermijdelijk naar de supermarkt. Ik weet niet meer of het ooit afgesproken is, maar op vrijwel elke zaterdagochtend ga ik, voorzien van een briefje met geschreven instructies, naar deze 'samenleving binnen de samenleving'. Vroeger vond ik dat een stressvol gebeuren. Maar nu ik wat meer los ben gekomen van het boodschappenlijstje, dat ik tegenwoordig vrij interpreteer, sta ik open voor ervaringen in de winkel en probeer ik actief aan het winkelgebeuren deel te nemen. "Gaat u gerust voor", zeg ik tegen een dame achter mij in de rij bij de kassa, die bezorgd naar mijn volle kar kijkt. "Ik mag een hele ochtend wegblijven denk ik, want er is niet gezegd hoe laat ik weer thuis moet zijn". Een dankbare, maar toch enigszins verwarde blik, is mijn deel. Eerder was ik al een man tegengekomen die verzuchtte "Ben jij ook met een briefje op pad gestuurd?" "Gelukkig wel", antwoordde ik, "anders kan ik nog wel drie keer terugkomen vandaag". Dan was er ook nog die onbekende, maar behulpzame, vrouw. Zij kijkt toe als ik de juiste variant van een exotisch gerecht zoek. "Je moet deze nemen. Dat vinden wij thuis ook zó heerlijk", luidt haar ongevraagd advies. Ze wacht geduldig tot ik haar advies opvolg. Ik maak daarna even een extra rondje en wissel het pakje om voor wat 'wij zó heerlijk vinden'. Het gaat niet altijd even soepel, zoals bij de weigerachtige statiegeldautomaat als ik flessen, die over zijn van een buitenlandse vakantie, probeer in te leveren. Ook het wegen van groenten en fruit vraagt enige handigheid, omdat juist deze producten het verst van de weegschaal af liggen in het groentenschap. Onlangs was er ook een wat onbehaaglijk moment, waardoor ik me toch maar weer uitsluitend op mijn briefje concentreerde. De klant voor me bij de kassa had juist afgerekend, maar in haar wagentje stond nog een klein flesje achter haar tas, dat onbetaald en wellicht onbedoeld, de kassa zou passeren. Dit is inderdaad gebeurd. Ik maakte me wijs dat ik het niet gezien had…

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 19 september 2014

Tussen gereformeerden

Aan het begin van de vakantie woonde ik een kerkdienst bij in een Zuid-Hollandse stad. Het was een gezamenlijke dienst van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerden. Hun ochtenddiensten brengen ze gescheiden door, maar in de vakantie trekken ze 's avonds gezamenlijk op. De dienst wordt dan gehouden in één van de twee kerkgebouwen. Opgegroeid in een stadje waar eeuwenlang het adagio is geweest "één kerk en één school" ken ik niet de finesses van de verschillen tussen de beide kerken. Wel heeft jaren geleden een Chr. Gereformeerde broeder mij tevergeefs proberen uit te leggen wat nu het verschil is tussen twee- en drie verbondenleer. Ik begreep het toen niet helemaal, maar wel is me bijgebleven dat de Christelijke Gereformeerden de drie verbondenleer aanhingen. De Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt en vrijwel alle vaderlandse kerken zijn 'twee verbonders'. De discussie hierover laat ik rusten. Op de heenweg door de stad kwamen we verschillende 'gereformeerden' tegen. De meesten waren herkenbaar aan hun kleding en hoofdbedekking. Te voet of per fiets togen zij naar hun eigen kerk. Daar tussendoor togen de Chr. Gereformeerden en de Gkv'ers. Mijn begeleidster wees ze aan. We waren vroeg, ik zag ze binnenkomen in het mooie Chr. Geref. kerkje. Langzamerhand liep de kerk vol en uiteindelijk, ondanks vakantie en warmte, was het tot de laatste plaats bezet. "Wie is nu vrijgemaakt en wie Christelijk Gereformeerd?", vroeg ik fluisterend aan mijn christelijke gereformeerde buurvrouw en gids. Ze wees er enkelen aan. Er waren geen uiterlijke verschillen. Wel moest ze er enigszins beschaamd aan toevoegen dat er maar enkele tientallen Chr. Gereformeerden waren. De overige 130 kerkganger waren 'Vrijgemaakt'. Ik dacht, nu hij veruit in de minderheid is, zal de Chr. Gereformeerde predikant in zijn preek de drie verbondenleer wel laten rusten en dat deed hij wijselijk. De hooggeleerde dominee preekte wel over het verbond, maar op een zodanige wijze dat beide denominaties zich zeker wel 'verbonden' zullen blijven voelen.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 29 augustus 2014

Gereedschap

Een vast ritueel tijdens mijn vakantie is het opruimen van mijn berging. Na een gang naar de milieustraat is er weer ruimte om orde op zaken te stellen. Dingen die nooit meer gebruikt worden - en nauwelijks gebruikt zijn - krijgen een nieuw plaatsje. Wachtend om volgend jaar weer van plaats te veranderen. Bijzondere aandacht is er bij deze jaarlijkse reorganisatie voor het gereedschap. In de afgelopen 33 jaar heb ik een respectabele hoeveelheid gereedschap vergaderd. Meer kwantiteit dan kwaliteit.
En met veel werktuigen kan ik nauwelijks op een verantwoorde manier omgaan. De aanschaf van deze relatief grote hoeveelheid gereedschap heeft drie redenen: een handige schoonfamilie, waar ik niet bij achter wilde blijven; de aanschaf van een oud huis waar 'nogal wat aan opgeknapt moest worden'. Het leeuwendeel van het opknappen zou ik zelf doen, maar in de afgelopen jaren zijn de vele klussen door echte bouwvakkers gedaan. Petje af voor deze beroepsgroep. Ik blijf jaloers op handige 'klussers' en officiële bouwvakkers.
Verder speelt ook een rol dat in mijn jeugd er nauwelijks klusgereedschap in het ouderlijk schuurtje aanwezig was. Ik herinner me alleen maar de hamer en nijptang met het rode kruisje, verstrekt door het Rampenfonds. De schrepel en het haartuigje, eveneens verkregen van hetzelfde fonds, zijn echter wel degelijk gebruikt. Als compensatie hecht ik er aan om zoveel mogelijk goedkoop gereedschap aan te schaffen. Want misschien ga ik ooit nog eens…? Een zwak heb ik voor dopsleutelsets. Ik heb er drie, bij elkaar geteld bestaan ze uit honderden delen. En iedere zomervakantie ben ik er uren zoet mee om alle dopjes weer terug te brengen in hun vakjes.
De familie zit aan het strand en ik breng de dopsleutelsets weer in de oorspronkelijke staat terug. Er blijven wel wat gaatjes over in het doosje en waarschijnlijk mis ik essentiële onderdelen om de sets te gebruiken. Maar dat geeft niet, van de winter zal ik ze waarschijnlijk weer wel eens wat al te enthousiast opzij schuiven, zodat ik volgende zomer weer een smoes heb om van het strand weg te blijven.

Deze column stond in Eilanden-Nieuws van woensdag 6 augustus 2014

Beschamend eenrichtingsverkeer

Vrijdag, voordat mijn collega, één van de andere columnschrijvers, met vakantie gaat, herinnert hij mij er nog eens aan. "Houd je de website en Facebook nog een beetje bij als ik weg ben?" Dit verzoek is niet zo vreemd, want hij weet dat mijn omgaan met de social media nogal passief is. Internet en het daaraan gekoppelde Facebook en Twitter bezoek ik vele malen per dag. Met veel interesse lees ik de nieuwtjes op de sites. Nog meer belangstelling is voor mij voor de foto's van de van de resultaten van de bakkunsten, aanbiedingen en huisdieren of perikelen van mijn 'vrienden' op Facebook of Twitter. Ook lees ik graag de mening van anderen over tal van onderwerpen. Mooi zijn ook de dwarsverbanden die gelegd kunnen worden. Want op Facebook is het heel eenvoudig om met de vrienden van mijn vrienden vriend te worden. Als ik dan vaag bekenden tegenkom, maak ik ze direct tot vriend. Benieuwd naar wat deze nieuwe vrienden met mij willen delen. Dan komt de teleurstelling. Op enkele actievelingen na wordt er uiteindelijk toch niet zoveel gedeeld. Een beetje teleurgesteld ben ik als blijkt dat de nieuwe vriend al weer twee jaar geleden voor het laatst iets op Facebook heeft geplaatst. Met Twitter is het wat mij betreft hetzelfde. Ik volg 'veeltwitteraars'. Ze twitteren zoveel dat ik er soms moe van wordt. Dan volg ik ze een tijdje niet meer om ze vervolgens toch weer te missen. Ik ga ze dan maar weer volgen. Maar ik verwijt niemand is. Tot mijn schaamte is het bij mij vrijwel eenrichtingsverkeer. Wat mijn volgers en vrienden te berde brengen daar smul ik van, maar zelf ben ik ook op de social media nogal gesloten. Dit ondanks mijn 270 volgers op Twitter en 195 vrienden op Facebook. Dit moet veranderen anders durf ik hen niet meer onder ogen te komen. Laat ik daar de vakantieweken maar eens voor benutten. Als het me niet lukt meld ik me - ergens in september - af voor zowel Twitter als Facebook.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 18 juli 2014

Dialect en klompen


Ze zijn een beetje aan elkaar verbonden, maar trek de band niet te ver door. Er zullen zeker wel klompdragers zijn die geen dialect spreken en wellicht nog meer dialectsprekers die geen klompen dragen. Toch hebben ze voor mij wel wat gemeen. Vanwege omstandigheden heb ik de laatste tijd nogal eens de klompen aangetrokken. Het lopen op deze houten schoenen gaat me dan niet altijd gemakkelijk af. Als ik me dan bij de eerste stappen me al zwikkend voortbeweeg denk ik aan de tijd dat de klompen mijn vaste schoeisel waren na schooltijd. We konden er van alles mee, rennen, voetballen, gooien, schoppen en slaan. Veelal moest dit volksschoeisel van het platteland enkele malen gerepareerd worden met spijkertjes of klompenkrammen voordat ze werden afgedankt. Voor mensen die zich dagelijks soepel op de klompen voortbewegen, heb ik het diepste respect.
Dat heb ik ook voor hen die zich dagelijks het dialect in al haar schoonheid gebruiken. Hoewel ik een groot voorstander van het gebruik van dialect moet ik toch erkennen dat het met het dialect hetzelfde als met de klompen is gesteld. Vroeger, met alleen maar Goereeërs onder elkaar, was het niet moeilijk om dialect te spreken. Evenals de klompen, gebruikten we het doorgaans buiten de schooltijden, zonder er bij na te denken. Toen de contacten zich verder over het eiland uitbreidden kwamen de problemen. Als eenling uit het westen, tussen allemaal Flakkeeënaars, werd over mijn dialect wat lacherig gedaan en het werd overdreven geïmiteerd. Het ontbreken van de 'ge' bij voltooid deelwoorden en het verschil tussen gae en goa werd sterk benadrukt. Langzaam paste ik mijn uitspraak aan en dat is - tot mijn schaamte - de afgelopen 45 jaar doorgegaan. Kom ik nog eens van die stoere mensen tegen die het onvervalste dialect nog moeiteloos gebruiken, dan heb ik alleen maar heel diep respect. Dit geldt ook voor de fervente klompendragers. Excuses voor mijn sterk aangepast dialect en het moeilijk lopen op klompen, die allang niet meer uitsluitend van hout zijn...

Deze column stond op vrijdag 27 juni 2014 in Eilanden-Nieuws

Over de oren

De gang naar de kapper. Zeker vroeger, maar ook in de drukke tijden van tegenwoordig een rustpunt. Maar het is wel even een heel geregel. Er moeten keuzes gemaakt worden. Thuis of 'gewoon' naar de kapsalon? Doen we het op afspraak? Lang van tevoren? Of stappen we, al dan niet geleid door een stoplicht, naar binnen? Mannen hadden vroeger minder keuzemogelijkheden. Men ging naar de 'scheerwinkel' of kapper in het dorp en schoof aan in de rij. Al naar gelang van de gezelligheid liet men anderen voorgaan, om vervolgens onder handen te worden genomen. Vele uren werden - vooral vrijdagavond en zaterdag - zodoende in gezelschap van de kapper en mede knippers doorgebracht. Men was weer op de hoogte van de nieuwtjes en van de nieuwe verhalen die ter plaatse werden geboren.
Eén van de eerste keren dat ik zelfstandig - zonder mijn moeder - naar de kapper ging kan ik me nog goed herinneren. Het zal halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw zijn geweest. Ook in Goedereede was de opkomst van de (brom)nozems en provo's niet onopgemerkt voorbijgegaan. Menig jongen had zijn haarlengte aan de geest van de tijd aangepast. Dit was niet altijd naar de zin van ouderen en ouders. Haargroei een halve centimeter over de oren was uit den boze. Het etiket 'langharig werkschuw tuig' was er al vlug op aangebracht. "En Arjaon, hoe moet het geknipt worden?" was de - naar later bleek - overbodige vraag van de kapper. "Het mag wel wat langer blijven", was mijn antwoord. De man hoefde niet lang na te denken. "Nee, dat wil je moeder niet". Vervolgens werd ik op de gebruikelijke wijze gekortwiekt. "Je ziet er weer kèllef uut", zei mijn moeder toen ik thuis kwam. Haargroei over de oren wilde zij inderdaad niet… en dat wist de kapper.
De komende weken zal ik nog wel eens terugdenken aan het generatieconflictje van 'toen'. Tegelijkertijd met het straatbeeld zullen ook de haren van heel jonge en heel oude kinderen weer oranje kleuren… Zouden de moeders dít echt willen?

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 6 juni

Kies wijzer?

De als kiezerspas vermomde uitnodiging voor de Europese Verkiezingen heb ik weer in de brievenbus gekregen. Volgende week donderdag ga ik dan weer richting de stembus in het kader van de verkiezing voor het Europees Parlement.
Samen met een kleine 40 miljoen mede-Europeanen heb ik tevoren een keuze moeten maken. Maar hierbij krijg ik gelukkig hulp. Zoals bij bijna alle verkiezingen de laatste jaren, maak ik ook deze keer weer gebruik van de verschillende mogelijkheden om antwoord te krijgen op mijn vraag: 'Wat moet ik stemmen?'. Overigens is dit geen serieuze vraag, want sinds ik stemgerechtigd ben, heb ik - als het mogelijk was - altijd op dezelfde partij gestemd.
Toch vind ik het ieder keer een verrassing bij welke partij ik uitkom als ik weer eens een Kieswijzer, een Kieskompas, Stemwijzer of welkepartijpastbijmij.nl of hoe de sites ook verder mogen heten, heb geraadpleegd. Nu komt het rare: altijd kom ik uit bij partijen waar ik nooit een stem op uit zou brengen. Zelfs op partijen waarvan ik het bestaan niet eens vermoedde, want mijn laatste poging voor een stemadvies bracht mij bij: 'Aandacht en Eenvoud'. Die partij bestaat echt!.
Waar het aan ligt, dat ik nooit bij mijn vaste partij uitkom? Waarschijnlijk aan mijn 'merktrouw'. Ik breng een stem uit op 'mijn' partij en dan ga ik van het standpunt uit: 'zoek het de komende vier of vijf jaar verder zelf maar uit, ik vertrouw jullie volkomen'. Het kan natuurlijk ook zijn dat mijn politieke mening wat labiel is, zeker als ik stemwijzers in zit te vullen.
Politiek is een zaak van vertrouwen en het is 'hun' verantwoording om dit vertrouwen niet te beschamen. Daarom zal ik nooit zomaar aan een referendum deelnemen, want 'zij' worden goed betaald om beslissingen te nemen en daar ga ik me niet tussentijds mee bemoeien. Alleen als 'mijn' partij op een aantal voor mij zeer principiële punten het af zal laten weten dan reken ik later wel af. Als ik het dan maar weer niet vergeten ben. Zoals u begrijpt zal ik deze verkiezingen niet 'wijzer' kiezen dan de vorige verkiezingen, ook niet als het om Europa gaat.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van 16 mei 2014

Nog gefeest?

Nog gefeest? 


Zaterdag nog gefeest? Stond zaterdag 29 maart bij u omcirkeld in uw agenda? De datum mooi versierd op de keukenkalender? Zag u er ook al lang naar uit? Ik bedoel het feest van de Grondwet. In Den Haag was er rondom de viering van ‘200 jaar Grondwet’ een heus Grondwet Festival. Op 29 maart, maar dan tweehonderd jaar geleden werd door een ‘Vergadering der Notabelen’ de Grondwet aangenomen. 474 vooraanstaande Nederlanders waren bij elkaar gekomen en 448 van hen stemden vóór de Grondwet, die daarna meteen van kracht werd. Waarschijnlijk was het ondertekenen van die Grondwet iets wat aan de ‘gewone man of vrouw in de straat’ voorbijging. De viering van zaterdag zal dat ook wel voor een merendeel van de Nederlanders het geval zijn geweest. Veel interesse is er onder ons voor de Grondwet niet zijn en dat is jammer. Zelf voel ik mij hieraan ook wel een beetje schuldig. De Grondwet – door de jaren heen wel aangepast – is geen dik boek. Wel is de totale wetgeving van ons land hierop gebaseerd. Daarom hadden we in den lande wel wat meer mogen feesten. Een groot aantal vrijheden van ons is in de Grondwet vastgelegd. Zegeningen waar we niet dagelijks bij stilstaan, maar toch wel een feestje waard zijn. Zeker als we kijken naar grote delen van de wereldbevolking waar de in de Grondwet vastgelegde vrijheden niet altijd vanzelfsprekend zijn. Ze zijn er nog de vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, het verbod op discriminatie en tal van andere ‘gewone’ zaken waarvoor men in tal van andere plaatsen op deze wereld nog een lange strijd moet en wil voeren. Is hier dan alles volmaakt? Verre van dat. Het is voor niemand gemakkelijk om op een juiste manier van de vrijheid (in gebondenheid) gebruik te maken. Maar laten we het toch maar proberen. Dus alsnog maar een feestje…? 

zondag 20 april 2014

De visser en de Paasjubel

Het is al meer dan een jaar geleden.
Pasen 2013.
Een plaatselijke kerkelijke gemeente organiseerde een Paasjubel.
Twee handjesvol mensen trokken voor zonsopkomst naar een plaats, ergens aan de rand van het Zuiderdiep. Hoewel ik niet zo van 'de symbolen' ben, leek me deelnemen aan de Paasjubel wel zinvol.
Rond zes uur in de ochtend begaven we ons naar het Zuiderdiep voor een korte tijd van samen zijn. Het lezen van het Paasevangelie, het zingen van een aantal Paasliederen en een korte overdenking was het programma tijdens het ochtendgloren.
Evenals de eerste getuigen van de opstanding van de Heere Jezus Christus, wilden de deelnemers aan de Paasjubel de dag van Pasen zo vroeg mogelijk meebeleven. 
Het werd een bijzondere ervaring. Vooral het moment van de zonsopkomst. 
Pasen 2013 was wat het weer betreft een grijze dag. Maar juist toen de zon boven de horizon verscheen, brak het wolkendek en waren we getuige van een prachtige zonsopkomst. Een mooiere start van Pasen konden we niet wensen, zeker ook door het lezen van het evangelie, het zingen van de liederen en het gebed. We hadden dus al een 'voorsprong' op het 'gewone' kerkvolk toen we een aantal uren later onze plaats tussen de kerkgangers innamen en het buiten inmiddels was gaan regenen.
Regelmatig heb ik het afgelopen jaar aan dat moment op die vroege Paasmorgen gedacht. In het bijzonder aan die visser.
Hij was er ook bij, maar of hij het meebeleefd heeft, weten we niet. Hij zat in een tentje langs het Zuiderdiep, zijn hengels ernaast. Voorzichtig waarschuwde men de man, zodat hij niet erg zou schrikken. Maar hij reageerde niet.
Hoe zou die visser de Paasjubel, sluimerend in zijn tent, hebben ervaren?
Hij is ongetwijfeld wakker geworden, maar liet het niet merken. Zou hij iets begrepen hebben van 'U zij de glorie', 'Want nu de Heer is opgestaan', van het Paasevangelie, van het gebed. Zijn hengels bewogen dat half uurtje niet.
Geen beet…!
Niets gevangen…
Zou hij zelf gevangen zijn…?

Dit artikel stond Goede Vrijdag 18 april 2014 in Eilanden-Nieuws als column.

zondag 16 maart 2014

'Handen'

Elkaar de hand geven. Of men nu veel of weinig mensen de handen schudt, ligt aan het beroep dat wordt uitgeoefend. De meeste handwerklieden zullen tijdens de arbeid nauwelijks iemand de hand schudden. Bij 'kantoormensen' is het anders. Naast het bedienen van een toetsenbord, is het schudden van handen misschien wel de belangrijkste bezigheid.
Men schudt iemand de hand als men elkaar voor het eerst of na kortere of langere tijd weer ontmoet. Of, als automatisme, bij de aanvang van een vergadering of bespreking. Veelal is het een beleefdheidsgebaar waar niet bij wordt nagedacht. In de kerken worden ook handen geschud. Bij sommige kerken is men zo blij dat mensen de dienst bezoeken dat bij binnenkomst iedere kerkganger een hand krijgt. In andere kerken daarentegen is men zo blij dat men weer vertrekt, dat dit onderstreept wordt met een handdruk. Bij een groot deel van de kerken in deze regio krijgt uitsluitend de predikant een hand in de kerk. Tweemaal zelfs, aan het begin en aan het eind van de dienst. Dit gebaar heeft wel een andere betekenis dan een beleefdheidsvorm.
Handen schudden. Het is voor mij een wat ongemakkelijke bezigheid en dat komt vanwege mijn afkomst. Geboren en getogen op de kop van het eiland is mij altijd ingeprent dat 'handen' (in dialect een werkwoord) hoort bij mensen die van 'Flakkee' komen en bij overkanters. Deze vooronderstelling kan problemen geven. Zo woonde ik een aantal jaren geleden een kerkdienst bij in de toenmalige Samaritaan. Voor rolstoelbegeleiders waren er gereserveerde plaatsen. De koster zag dat ik niet wist waar ik met het kaartje 'gereserveerd' moest blijven. Hij stak zijn hand uit om het kaartje aan te pakken. Ik realiseerde me dat ik niet in het westen van het eiland was en drukte de koster de uitgestoken hand. "Ik wil je wel een hand geven, maar geef mij ook dat kaartje maar", was zijn reactie. Dit voorbeeld kan aangevuld worden. In de praktijk is het voor mij niet altijd duidelijk wanneer ik een hand 'krijg' of moet 'geven'. Het blijft tobben. Misschien de 'high five' maar proberen...

Deze column stond vrijdag 14 maart 2014 in Eilanden-Nieuws

Wij?

Vorige week kwam er iemand binnen met de constatering dat 'we er weer een medaille erbij hebben'. We…? Ik was me van geen kwaad bewust.
Mijn medaillevoorraad zou overigens wel wat aanvulling kunnen gebruiken. Er moeten er ergens twee liggen: één als bewijs van een met succes gelopen wandelmars, midden in de jaren zestig van de vorige eeuw. De tijd dat men nog marcheerde. Dan nog één als bewijs dat ik als late twintiger een zwemmeerdaagse met succes afrondde. De laatste tijd zijn mijn prestaties op geen gebied van dien aard dat ik er een medaille, van welk edelmetaal dan ook voor kreeg uitgereikt.
Nu schijnen de jongens en meisjes op de Olympische Winterspelen veel meer medailles te hebben verzameld dan ik ooit zal vergaren en ook veel van de lezers zullen dit aantal nooit in hun prijzenkast kunnen krijgen. Vandaar misschien dat 'wij-gevoel'? Dat zou kunnen. Bij de koning en koningin speelde dit zeker niet mee. Zij hebben misschien wel meer medailles - al of niet verdiend - dan 'wij' hebben bemachtigd in verschillende Olympische krachtmetingen. Hun uitingen van enthousiasme over wat 'wij' presteerden werd terecht niet door iedereen in dank afgenomen. Zal wel een beginnersfoutje van het koningspaar zijn, zullen we maar hopen.
Het wij-gevoel. Ofschoon ik nauwelijks gehinderd wordt door enige kennis of interesse in sportieve zaken is me deze weken wel wat opgevallen. Hoe dichter men in de buurt komt van het eventueel winnen van medailles, neemt het wij-gevoel af. "Zilver of brons is voor 'mij' niet genoeg. 'Ik' wil goud". Noorse schaatsers, wat verder van medailles vandaan, hebben nog een beetje wij-gevoel: "Als 'zij' meedoen, doen 'wij' niet mee". Het wij-gevoel is nog wel eens aan wat voorwaarden gebonden. Zouden we – buiten de sport om – niet eens wat meer aan ons wij-gevoel moeten werken. In ons land, onze regio, ons eiland? Wij hebben genoeg om trots op te zijn. Laat dit ook eens aan de anderen weten. We hebben aan de muur in de redactiekamer in ieder geval ruimte voor medailles gemaakt. Wij zijn er klaar voor…

Deze blog stond eerder in Eilanden-Nieuws van 21 februari 2014

Schoolreisje

Hoewel het nog geen mei is, moest ik vorige week steeds maar denken aan de 'schoolreisjes' van vroeger. Dit kwam doordat we wat spullen bij elkaar moesten zoeken, want we hadden het voorrecht deel te mogen nemen aan de jaarlijkse Eilanden-Nieuwslezersreis. Als deze krant verschijnt en als alles volgens plan is verlopen, arriveren we in de avonduren weer op eilandelijke bodem. Sinds mijn schooljaren is er van een groepsbusreis nauwelijks meer sprake geweest. De gedachten gaan terug naar de uitstapjes van de lagere school. In de eerste klas een dagje naar het Ouddorpse strand. Een aantal klassen hoger, een keer 'dauwtrappen' in de vroege uren van Hemelvaartsdag. In de hoogste klassen begon het echte werk: een meerdaagse schoolreis naar Lunteren in de Poelakker. Voor 'de meesters' en 'juffrouw' een routineklus, omdat generaties Goereese scholieren daar hun eerste schoolreiservaring hebben opgedaan. Voor ons als schoolkinderen - met nauwelijks reiservaring - was het echter een hele onderneming. Uitgezwaaid door heel Goedereede verlieten we via Bekaf het stadje om er enkele dagen dagen later ontzettend moe en vol van indrukken weer te worden onthaald. Het was voor mij niet te begrijpen dat in Goedereede alles 'gewoon' hetzelfde was gebleven. Wij hadden in de tussentijd in een totaal andere wereld vertoefd. Zo was daar de busreis waarin een oneindig lijkende hoeveelheid snoep werd weggewerkt, tegelijk met de meegenomen broodjes en beschuitbollen die we normaal nooit kregen. Dan waren er de bossen, de gezamenlijke maaltijden waarin we - de toen nog onbekende - Hamburgers aten. Dan de nachten in de grote slaapzalen, regelmatig bezocht door boze en quasi boze onderwijzers. Verder de indrukwekkende treinreis van enkele minuten naar Ede waar gewinkeld werd en we voor het eerst donkergekleurde mensen zagen: Zuid-Molukkers. Later nog één keer een tweedaagse schoolreis meegemaakt in de MAVO-tijd naar de Ardennen. Weet ik niet veel meer van. Wel dat ik juist die éne nacht 'apart' door moest brengen, vanwege wangedrag. Nu maar hopen dat het deze week in het Sauerland beter is afgelopen…

Deze column stond vrijdag 31 januari in Eilanden-Nieuws

Het wensen voorbij


Het overgrote deel van de nieuwjaarsrecepties hebben we zowel letterlijk als figuurlijk achter de kiezen. Dit zijn in mijn ogen altijd bijzondere evenementen geweest, die ik zoveel mogelijk probeer te vermijden of met gepaste tegenzin bezoek. Doorgaans verdwijnt deze aversie tijdens het gebeuren. Waar deze tegenzin vandaan komt? Dat weet ik niet zeker maar misschien wel van het 'nieuwjaarwensen' na de kerkdienst op Nieuwjaarsdag. In vroeger dagen had dit veelal iets weg van een condoleance. Met bedrukte gezichten - of was het de vermoeidheid? - wenste men elkaar veel zegen toe voor het nieuwe jaar. Later begreep ik pas dat het wisselen van een jaar voor veel mensen vanwege verliezen bijzonder emotioneel kon zijn.
Maar nu naar de huidige recepties: Eenmaal op zo'n receptie aangekomen verdwijnt doorgaans de antipathie. Even tevoren nog wat etiquettesites doorgekeken hoe ik het 'nieuwjaar wensen' het best vorm kan geven. Zoenen hoeft gelukkig alleen maar bij de naaste familieleden en die zijn op de gebruikelijk recepties maar sporadisch aanwezig. Maar dan: Je spreekt de standaardzinnetjes uit: Gelukkig nieuwjaar of bij – verondersteld – gelovige mensen een wat aarzelend 'gezegend nieuwjaar'. (Alsof 'ongelovigen' geen zegen nodig zouden hebben…) Verder doet het 'ook de beste wensen' altijd goed. Wat dat 'beste' dan zal zijn mag de ontvanger invullen.
Op grote nieuwjaarsrecepties is het wel goed opletten, want voor je het weet heb je iemand al drie keer 'de beste wensen' gegund. Maar er zijn meer struikelblokken. Je staat al een poosje met iemand te praten die jou heel goed kent, maar waarbij je niet op zijn of haar naam kan komen. Dat vraagt natuurlijk wel wat lenigheid om dit gesprek tot een goed einde te brengen. Een positief effect van dergelijke recepties is wel dat je weer eens je netwerk uitbreidt en vernieuwt. Al blijft het wel moeilijk om je los te maken van je vertrouwde groepje medebezoekers en naar een 'vreemde' te stappen. We zullen het oefenen: nog één receptie te gaan en het wensen is voorbij.

Deze column stond in Eilanden-Nieuws van vrijdag 10 januari 2014

Kerkdienst in de Rabobankzaal

In een week tijd woonde ik drie bijeenkomsten bij, die voor het oog nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Zo was daar een 'Krantendag' van de NNP, zeg maar de brancheorganisatie voor de lokale nieuwsmedia in Nederland. Elkaars kranten werden bekeken en bekritiseerd. Hierbij werd ook de 'inkopper' besproken dat een goede kop boven een artikel 'automatisch' meer lezers trekt. Zoals u ziet werkt het, want u bent aan dit stukje begonnen.
Dan was er een tweede bijeenkomst in het imposante hoofdkantoor van de Rabobank in Utrecht. Eén van de leden van de hoofddirectie hield voor een afvaardiging van de eilandelijke Rabobank een toespraak. Het hoofdonderwerp van die toespraak was - het kon natuurlijk niet anders - de (imago)schade van de bank als gevolg van onder meer het Liborschandaal. Nu rekende ik op een zich in alle bochten wringende manager, die tussen de regels door de schuld van de problemen op een ander mans bordje probeerde te leggen. Niets daarvan. Hij legde het op zijn eigen bordje . Ook ontweek hij geen kritische vragen vanuit het gezelschap. De man trok het boetekleed aan en ging figuurlijk diep door het stof. Bijna werd het een sacraal moment van berouw en schuldbelijdenis. Mits oprecht gedaan, waaraan ik nog niet twijfel, siert dit het directielid van de bank.
Ik moest aan deze ontmoeting denken tijdens een derde bijeenkomst. Een kerkdienst in de Rabobankzaal van Het Diekhuus. De grote zaal in Het Diekhuus heeft een tribune gekregen van de Rabobank. Uit dank noemde men de ruimte naar de bank. Naast een aantal veelal culturele bijeenkomsten, wordt er elke zondagochtend een kerkdienst gehouden in deze Rabobankzaal. Nu hebben kerken en banken in de afgelopen eeuwen wel bewezen, goed samen te kunnen gaan, mits de banken gebruikt werden om op te zitten. Maar deze combinatie was wel even slikken. Doorgaans komen gelovigen samen in gebouwen met welklinkende Bijbelse namen. Lange tijd was mijn opvatting dat de wereld van het 'harde en snelle geld' niet te combineren is met, zeg maar, de Bijbelse Bergrede. Een moeizame combinatie? Jazeker. Maar bepaalde ontwikkelingen lijken toch op een lichtpuntje. Tot voorbeeld voor kerk en wereld…?
Hebben we het Licht gezien…? De tijd zal het leren…

Deze column stond vrijdag 20 december 2013 in Eilanden-Nieuws

Zomerdrop

Geruime tijd staat er in het redactiekantoor een pot. Met enige regelmaat wordt deze, aan ouderwetse snoepwinkeltjes herinnerende, glazen fles, gevuld met verschillende soorten zoetwaren. Dit natuurlijk ter consumptie voor de vaste bezetters van de redactieruimte en voor de gaande en komende vrouw of man. Deze pot wordt, door degene die zich daartoe geroepen voelt, bijgevuld.
Eén van de collega's vroeg naar de voorkeur voor de soort snoep waarmee zij de pot op haar beurt zou moeten vullen.
"Zomerdrop", zo suggereerde ik.
Er kwam een verbaasde reactie. Laat nu niemand ooit van zomerdrop gehoord hebben… Dit kon ik niet geloven want zeker vroeger was 'zeumerdrop' een gangbare benaming voor deze frisse zoetigheid. Natuurlijk probeerde ik dat de medegebruikers van de pot duidelijk te maken, maar het lukte niet. Ten einde raad maar via Google het bestaan van 'zomerdrop' proberen te bewijzen. Nu blijkt ook deze internetzoekmachine het begrip zomerdrop niet te kennen. Wel werd ik voorgesteld om dan maar te zoeken naar 'zomerdorp'. Maar noch zomerdorpen, noch winterdorpen hebben mijn voorkeur.
Verder nog eens wat nagevraagd in mijn omgeving. Het zou natuurlijk kunnen dat het een benaming was die vooral in het westelijk deel van het eiland werd gebruikt. En daar ging ik maar van uit.
Het overgrote deel van de bewoners van deze regio kent geen zomerdrop, zo veronderstelde ik. Totdat een andere collega aangaf het woord wel te kennen en dat het vroeger ook in Middelharnis en Sommelsdijk bekend was. Het bleek dus geen verschil in dialect, maar meer een soort generatiekloof.
Ondanks de onbekendheid met het woord zijn de zomerdropjes zelf voor niemand vreemd. Bij een 'voordeeldrogist', waar we vanuit de redactiestoel ruim zicht op hebben, is men zeker niet onbekend met zomerdrop. Ze liggen er zelfs voor het opscheppen…
Inmiddels is de redactiesnoeppot weer gevuld met winegums. Een woord dat iedereen verstaat, al is het geen dialect en klinkt het on-Nederlands.

Deze column verscheen vrijdag 29 november 2013 in Eilanden-Nieuws

Anoniem

"Dat kun je niet maken", zo wees mijn collega me terecht. We hadden het over de mogelijkheid om op gezette tijden een column te gaan schrijven voor Eilanden-Nieuws. Een column schrijven zag ik na wat aandringen wel zitten. Ik had echter één voorwaarde: het moest wel onder een schuilnaam. Anoniem. Zoals u ziet heb ik na wat aarzeling dan toch besloten om deze column niet anoniem te schrijven. Zowel mijn naam als foto markeren dit stukje. Anoniem. Naamloos. De hang naar anonimiteit lijkt toe te nemen. Wat is hiervan de reden? Ik dacht zelf wel redenen te hebben om deze column anoniem te plaatsen: Betrokkenheid bij de redactie; het eventueel aangesproken worden op het geschrevene en verder schrijft het wel 'lekker' om je mening door weinig gehinderd te kunnen ventileren. In dit laatste sta ik niet alleen. Regelmatig belanden er in de redactiepostbus, zowel digitaal als op papier, brieven waarin de afzenders verzoeken om het schrijven te plaatsen. Maar hierbij vooral niet 'mijn naam te noemen want dan krijg ik problemen', is dan meestal de toevoeging. Doorgaans zijn deze 'ingezonden stukken' niet het plaatsen waard. Er wordt persoonlijk gram gehaald over bepaalde situaties of er worden insinuaties gedaan richting personen of instellingen die we liever niet op het papier van Eilanden-Nieuws zien verschijnen. Deze 'ingezondens' bewaren we op de redactie als curiositeit in een speciaal laatje of archiefmap. Een klein aantal van de als 'anoniem' aangeboden bijdragen door de lezers, zouden zeker het plaatsen in de krant echter wel waard zijn. Maar de schrijvers missen de moed om de naam er onder te plaatsen en dat is in sommige gevallen jammer, want wat wordt aangedragen is zeker de moeite waard. Ze hebben wel een mening, maar durven of willen er niet voor uit komen. Want ergens een mening over hebben is niet zonder risico. Met dit laatst genoemde groepje inzenders kan ik wel meevoelen. In mijn twitterprofiel niet voor niets staan, dat ik "voor het gemak opportunistisch ben". Nu maar afwachten wat de gevolgen zijn voor deze niet-anonieme columnist.

Deze column verscheen 8 november 2013 in Eilanden-Nieuws