zondag 26 oktober 2014

In de buurt van het 'zesje'

Een paar dagen geleden vierde ik mijn negenenvijftigste verjaardag en begon mijn zestigste levensjaar. Het in de buurt komen van het 'zesje' in je leeftijd leek mij vroeger iets verschrikkelijks. Maar het valt heel erg mee, is mijn ervaring. Mijn gevoelens over leeftijd, ouder worden en eindigheid zijn veranderd in de loop van de tijd, al naar gelang de levensfases. Dit komt omdat ieder stadium van een mensenleven iets eigens heeft. Zo zijn er de schooljaren, werk, gezin, enz… Alles keurig op een rij met mooie en minder mooie zaken die daar bij horen.
Bij mij lopen verschillende levensfases door elkaar. Mijn ervaringen zijn dan ook anders dan van de gemiddelde 55-plussers. Zo zit ik nu voor de tweede keer in de fase waarover mijn vrouwelijke collega columnschrijver regelmatig verslag doet. Want hoewel het niet bij mijn leeftijd past, hebben wij 24/7 een baby in huis. Kort na haar geboorte is ze bij ons gekomen en als 55-plussers zijn we druk in de weer met alles wat er bij een tweejarige (pleeg)baby past: luiers, consultatiebureaus, ziekenhuizen, doctoren, speelgoed en wat er al niet komt kijken bij een baby/peuter in huis. Enkele voorbeelden: deze kleine weet precies wanneer ze 'het' op het potje doet, of gewoon in de luier. Dit laatste dus als ik alleen thuis ben; Gewoonlijk zullen mensen van onze leeftijd niet meer achter kinderkleertjes aangaan of Marktplaats afspeuren voor (baby)spulletjes. Maar wij wel. Soms krijgen we vragende reacties en sommigen kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en vragen: "Nu moeten jullie me eerst eens vertellen hoe het zit?". Dit is dan bij dezen opgelost.
Lichamelijk zal het ons niet voor altijd jong houden, geestelijk ook niet. Maar van een psychische lenigheid is wel sprake. Tel daarbij op dat de oudste van de drie collega's met wie ik in één ruimte werk nog niet half zo oud is dan ik… Het resultaat is dat negenenvijftig levensjaren voor mijn gevoel nauwelijks tellen. Wel een klein beetje, maar lang niet zo erg dan ik vroeger altijd dacht.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 10 oktober 2014

In de supermarkt

Het inslaan van levensmiddelen brengt je onvermijdelijk naar de supermarkt. Ik weet niet meer of het ooit afgesproken is, maar op vrijwel elke zaterdagochtend ga ik, voorzien van een briefje met geschreven instructies, naar deze 'samenleving binnen de samenleving'. Vroeger vond ik dat een stressvol gebeuren. Maar nu ik wat meer los ben gekomen van het boodschappenlijstje, dat ik tegenwoordig vrij interpreteer, sta ik open voor ervaringen in de winkel en probeer ik actief aan het winkelgebeuren deel te nemen. "Gaat u gerust voor", zeg ik tegen een dame achter mij in de rij bij de kassa, die bezorgd naar mijn volle kar kijkt. "Ik mag een hele ochtend wegblijven denk ik, want er is niet gezegd hoe laat ik weer thuis moet zijn". Een dankbare, maar toch enigszins verwarde blik, is mijn deel. Eerder was ik al een man tegengekomen die verzuchtte "Ben jij ook met een briefje op pad gestuurd?" "Gelukkig wel", antwoordde ik, "anders kan ik nog wel drie keer terugkomen vandaag". Dan was er ook nog die onbekende, maar behulpzame, vrouw. Zij kijkt toe als ik de juiste variant van een exotisch gerecht zoek. "Je moet deze nemen. Dat vinden wij thuis ook zó heerlijk", luidt haar ongevraagd advies. Ze wacht geduldig tot ik haar advies opvolg. Ik maak daarna even een extra rondje en wissel het pakje om voor wat 'wij zó heerlijk vinden'. Het gaat niet altijd even soepel, zoals bij de weigerachtige statiegeldautomaat als ik flessen, die over zijn van een buitenlandse vakantie, probeer in te leveren. Ook het wegen van groenten en fruit vraagt enige handigheid, omdat juist deze producten het verst van de weegschaal af liggen in het groentenschap. Onlangs was er ook een wat onbehaaglijk moment, waardoor ik me toch maar weer uitsluitend op mijn briefje concentreerde. De klant voor me bij de kassa had juist afgerekend, maar in haar wagentje stond nog een klein flesje achter haar tas, dat onbetaald en wellicht onbedoeld, de kassa zou passeren. Dit is inderdaad gebeurd. Ik maakte me wijs dat ik het niet gezien had…

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 19 september 2014

Tussen gereformeerden

Aan het begin van de vakantie woonde ik een kerkdienst bij in een Zuid-Hollandse stad. Het was een gezamenlijke dienst van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerden. Hun ochtenddiensten brengen ze gescheiden door, maar in de vakantie trekken ze 's avonds gezamenlijk op. De dienst wordt dan gehouden in één van de twee kerkgebouwen. Opgegroeid in een stadje waar eeuwenlang het adagio is geweest "één kerk en één school" ken ik niet de finesses van de verschillen tussen de beide kerken. Wel heeft jaren geleden een Chr. Gereformeerde broeder mij tevergeefs proberen uit te leggen wat nu het verschil is tussen twee- en drie verbondenleer. Ik begreep het toen niet helemaal, maar wel is me bijgebleven dat de Christelijke Gereformeerden de drie verbondenleer aanhingen. De Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt en vrijwel alle vaderlandse kerken zijn 'twee verbonders'. De discussie hierover laat ik rusten. Op de heenweg door de stad kwamen we verschillende 'gereformeerden' tegen. De meesten waren herkenbaar aan hun kleding en hoofdbedekking. Te voet of per fiets togen zij naar hun eigen kerk. Daar tussendoor togen de Chr. Gereformeerden en de Gkv'ers. Mijn begeleidster wees ze aan. We waren vroeg, ik zag ze binnenkomen in het mooie Chr. Geref. kerkje. Langzamerhand liep de kerk vol en uiteindelijk, ondanks vakantie en warmte, was het tot de laatste plaats bezet. "Wie is nu vrijgemaakt en wie Christelijk Gereformeerd?", vroeg ik fluisterend aan mijn christelijke gereformeerde buurvrouw en gids. Ze wees er enkelen aan. Er waren geen uiterlijke verschillen. Wel moest ze er enigszins beschaamd aan toevoegen dat er maar enkele tientallen Chr. Gereformeerden waren. De overige 130 kerkganger waren 'Vrijgemaakt'. Ik dacht, nu hij veruit in de minderheid is, zal de Chr. Gereformeerde predikant in zijn preek de drie verbondenleer wel laten rusten en dat deed hij wijselijk. De hooggeleerde dominee preekte wel over het verbond, maar op een zodanige wijze dat beide denominaties zich zeker wel 'verbonden' zullen blijven voelen.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 29 augustus 2014

Gereedschap

Een vast ritueel tijdens mijn vakantie is het opruimen van mijn berging. Na een gang naar de milieustraat is er weer ruimte om orde op zaken te stellen. Dingen die nooit meer gebruikt worden - en nauwelijks gebruikt zijn - krijgen een nieuw plaatsje. Wachtend om volgend jaar weer van plaats te veranderen. Bijzondere aandacht is er bij deze jaarlijkse reorganisatie voor het gereedschap. In de afgelopen 33 jaar heb ik een respectabele hoeveelheid gereedschap vergaderd. Meer kwantiteit dan kwaliteit.
En met veel werktuigen kan ik nauwelijks op een verantwoorde manier omgaan. De aanschaf van deze relatief grote hoeveelheid gereedschap heeft drie redenen: een handige schoonfamilie, waar ik niet bij achter wilde blijven; de aanschaf van een oud huis waar 'nogal wat aan opgeknapt moest worden'. Het leeuwendeel van het opknappen zou ik zelf doen, maar in de afgelopen jaren zijn de vele klussen door echte bouwvakkers gedaan. Petje af voor deze beroepsgroep. Ik blijf jaloers op handige 'klussers' en officiële bouwvakkers.
Verder speelt ook een rol dat in mijn jeugd er nauwelijks klusgereedschap in het ouderlijk schuurtje aanwezig was. Ik herinner me alleen maar de hamer en nijptang met het rode kruisje, verstrekt door het Rampenfonds. De schrepel en het haartuigje, eveneens verkregen van hetzelfde fonds, zijn echter wel degelijk gebruikt. Als compensatie hecht ik er aan om zoveel mogelijk goedkoop gereedschap aan te schaffen. Want misschien ga ik ooit nog eens…? Een zwak heb ik voor dopsleutelsets. Ik heb er drie, bij elkaar geteld bestaan ze uit honderden delen. En iedere zomervakantie ben ik er uren zoet mee om alle dopjes weer terug te brengen in hun vakjes.
De familie zit aan het strand en ik breng de dopsleutelsets weer in de oorspronkelijke staat terug. Er blijven wel wat gaatjes over in het doosje en waarschijnlijk mis ik essentiële onderdelen om de sets te gebruiken. Maar dat geeft niet, van de winter zal ik ze waarschijnlijk weer wel eens wat al te enthousiast opzij schuiven, zodat ik volgende zomer weer een smoes heb om van het strand weg te blijven.

Deze column stond in Eilanden-Nieuws van woensdag 6 augustus 2014

Beschamend eenrichtingsverkeer

Vrijdag, voordat mijn collega, één van de andere columnschrijvers, met vakantie gaat, herinnert hij mij er nog eens aan. "Houd je de website en Facebook nog een beetje bij als ik weg ben?" Dit verzoek is niet zo vreemd, want hij weet dat mijn omgaan met de social media nogal passief is. Internet en het daaraan gekoppelde Facebook en Twitter bezoek ik vele malen per dag. Met veel interesse lees ik de nieuwtjes op de sites. Nog meer belangstelling is voor mij voor de foto's van de van de resultaten van de bakkunsten, aanbiedingen en huisdieren of perikelen van mijn 'vrienden' op Facebook of Twitter. Ook lees ik graag de mening van anderen over tal van onderwerpen. Mooi zijn ook de dwarsverbanden die gelegd kunnen worden. Want op Facebook is het heel eenvoudig om met de vrienden van mijn vrienden vriend te worden. Als ik dan vaag bekenden tegenkom, maak ik ze direct tot vriend. Benieuwd naar wat deze nieuwe vrienden met mij willen delen. Dan komt de teleurstelling. Op enkele actievelingen na wordt er uiteindelijk toch niet zoveel gedeeld. Een beetje teleurgesteld ben ik als blijkt dat de nieuwe vriend al weer twee jaar geleden voor het laatst iets op Facebook heeft geplaatst. Met Twitter is het wat mij betreft hetzelfde. Ik volg 'veeltwitteraars'. Ze twitteren zoveel dat ik er soms moe van wordt. Dan volg ik ze een tijdje niet meer om ze vervolgens toch weer te missen. Ik ga ze dan maar weer volgen. Maar ik verwijt niemand is. Tot mijn schaamte is het bij mij vrijwel eenrichtingsverkeer. Wat mijn volgers en vrienden te berde brengen daar smul ik van, maar zelf ben ik ook op de social media nogal gesloten. Dit ondanks mijn 270 volgers op Twitter en 195 vrienden op Facebook. Dit moet veranderen anders durf ik hen niet meer onder ogen te komen. Laat ik daar de vakantieweken maar eens voor benutten. Als het me niet lukt meld ik me - ergens in september - af voor zowel Twitter als Facebook.

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 18 juli 2014

Dialect en klompen


Ze zijn een beetje aan elkaar verbonden, maar trek de band niet te ver door. Er zullen zeker wel klompdragers zijn die geen dialect spreken en wellicht nog meer dialectsprekers die geen klompen dragen. Toch hebben ze voor mij wel wat gemeen. Vanwege omstandigheden heb ik de laatste tijd nogal eens de klompen aangetrokken. Het lopen op deze houten schoenen gaat me dan niet altijd gemakkelijk af. Als ik me dan bij de eerste stappen me al zwikkend voortbeweeg denk ik aan de tijd dat de klompen mijn vaste schoeisel waren na schooltijd. We konden er van alles mee, rennen, voetballen, gooien, schoppen en slaan. Veelal moest dit volksschoeisel van het platteland enkele malen gerepareerd worden met spijkertjes of klompenkrammen voordat ze werden afgedankt. Voor mensen die zich dagelijks soepel op de klompen voortbewegen, heb ik het diepste respect.
Dat heb ik ook voor hen die zich dagelijks het dialect in al haar schoonheid gebruiken. Hoewel ik een groot voorstander van het gebruik van dialect moet ik toch erkennen dat het met het dialect hetzelfde als met de klompen is gesteld. Vroeger, met alleen maar Goereeërs onder elkaar, was het niet moeilijk om dialect te spreken. Evenals de klompen, gebruikten we het doorgaans buiten de schooltijden, zonder er bij na te denken. Toen de contacten zich verder over het eiland uitbreidden kwamen de problemen. Als eenling uit het westen, tussen allemaal Flakkeeënaars, werd over mijn dialect wat lacherig gedaan en het werd overdreven geïmiteerd. Het ontbreken van de 'ge' bij voltooid deelwoorden en het verschil tussen gae en goa werd sterk benadrukt. Langzaam paste ik mijn uitspraak aan en dat is - tot mijn schaamte - de afgelopen 45 jaar doorgegaan. Kom ik nog eens van die stoere mensen tegen die het onvervalste dialect nog moeiteloos gebruiken, dan heb ik alleen maar heel diep respect. Dit geldt ook voor de fervente klompendragers. Excuses voor mijn sterk aangepast dialect en het moeilijk lopen op klompen, die allang niet meer uitsluitend van hout zijn...

Deze column stond op vrijdag 27 juni 2014 in Eilanden-Nieuws

Over de oren

De gang naar de kapper. Zeker vroeger, maar ook in de drukke tijden van tegenwoordig een rustpunt. Maar het is wel even een heel geregel. Er moeten keuzes gemaakt worden. Thuis of 'gewoon' naar de kapsalon? Doen we het op afspraak? Lang van tevoren? Of stappen we, al dan niet geleid door een stoplicht, naar binnen? Mannen hadden vroeger minder keuzemogelijkheden. Men ging naar de 'scheerwinkel' of kapper in het dorp en schoof aan in de rij. Al naar gelang van de gezelligheid liet men anderen voorgaan, om vervolgens onder handen te worden genomen. Vele uren werden - vooral vrijdagavond en zaterdag - zodoende in gezelschap van de kapper en mede knippers doorgebracht. Men was weer op de hoogte van de nieuwtjes en van de nieuwe verhalen die ter plaatse werden geboren.
Eén van de eerste keren dat ik zelfstandig - zonder mijn moeder - naar de kapper ging kan ik me nog goed herinneren. Het zal halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw zijn geweest. Ook in Goedereede was de opkomst van de (brom)nozems en provo's niet onopgemerkt voorbijgegaan. Menig jongen had zijn haarlengte aan de geest van de tijd aangepast. Dit was niet altijd naar de zin van ouderen en ouders. Haargroei een halve centimeter over de oren was uit den boze. Het etiket 'langharig werkschuw tuig' was er al vlug op aangebracht. "En Arjaon, hoe moet het geknipt worden?" was de - naar later bleek - overbodige vraag van de kapper. "Het mag wel wat langer blijven", was mijn antwoord. De man hoefde niet lang na te denken. "Nee, dat wil je moeder niet". Vervolgens werd ik op de gebruikelijke wijze gekortwiekt. "Je ziet er weer kèllef uut", zei mijn moeder toen ik thuis kwam. Haargroei over de oren wilde zij inderdaad niet… en dat wist de kapper.
De komende weken zal ik nog wel eens terugdenken aan het generatieconflictje van 'toen'. Tegelijkertijd met het straatbeeld zullen ook de haren van heel jonge en heel oude kinderen weer oranje kleuren… Zouden de moeders dít echt willen?

Deze column stond eerder in Eilanden-Nieuws van vrijdag 6 juni